|
aboutCOMMUNICATIE per e-mail
|
|
Ontvang iedere ochtend een mailtje met het laatste nieuws van aboutCOMMUNICATIE
|
|
|
De Nieuwe Reporter | 02-02-2012 21:34
Hyves was jarenlang veruit het populairste sociale netwerk van Nederland. Desondanks besloot de leiding dat het tijd werd om een nieuwe richting in te slaan. Vanwege het oprukken van Facebook en Twitter, maar vooral ook om te zorgen dat gebruikers meer tijd op de site zouden gaan doorbrengen. Afgelopen najaar werd de redactie uitgebreid om de nieuwe strategie gestalte te geven. Peter Teffer ging voor DNR eens kijken wat de nieuwe werkwijze behelst.
Het is elf uur ‘s ochtends op vrijdag 27 januari en op de redactie van sociaal netwerk Hyves wordt al uitgekeken naar het weekend. Niet dat de redacteuren graag nu al naar huis willen. De redactie probeert waar het kan de Hyves-gebruikers een stap voor te zijn en een plek te bieden waar de gesprekken over het einde van de werk- of schoolweek straks los kunnen barsten. “Zal ik alvast een Thank God It’s Friday topic aanmaken?”, oppert Hyves-redacteur Rick.
Contentnetwerk
Hyves is onlangs een nieuwe weg ingeslagen. Niet langer is de site puur een sociaal netwerk, waar leden met elkaar communiceren, maar het is een ‘contentnetwerk’. Populaire gespreksonderwerpen worden verzameld onder een ‘topic’ waarin het nieuwsitem wordt samengevat en peilingen of stellingen een aanzet geven tot de discussie. De ‘Hyvers’ praten en de redactie plaatst het gesprek in context.
“Het idee om meer te doen met veelbesproken onderwerpen speelde al langer”, vertelt hoofdredacteur Nine Taihuttu-Ludwig. Taihuttu-Ludwig werkt al sinds 2006 voor Hyves en heette al hoofdredacteur nog voordat ze een redactie had. “Als je bijvoorbeeld op Twitter ziet wat de trending topics zijn, dan heb je vaak geen idee waar die over gaan. Zelfs als je er op klikt en de tweets ziet, is dat niet direct duidelijk. Met het onderdeel ‘Nu meest besproken’ willen we op Hyves de onderwerpen duiden en van context voorzien.”
Willem Holleeder
Een van die onderwerpen is deze vrijdagochtend de vrijlating van Willem Holleeder. Alle berichten die Hyvers plaatsen met het ‘keyword’ Holleeder, komen onder het nieuwsbericht te staan. “Je moet de keywords dus goed kiezen”, zegt redacteur Rosah. “Bij de besprekingen van Eredivisiewedstrijden kiezen we bijvoorbeeld nooit het woord ‘voetbal’ als keyword, omdat je dan ook alle berichten krijgt van moeders die een zoontje naar het voetbal hebben gebracht.”
Hyves-redacteuren aan het werk
Rosah en Rick zijn twee van de vier vaste redacteuren die tijdens kantooruren de site bijhouden. Ze kijken welke onderwerpen populair zijn, schrijven daar enkele alinea’s tekst over, plaatsen beeldmateriaal en proberen met peilingen de discussie aan te zwengelen. Naast de vaste redactie beschikt Hyves ook over een poule van zeven freelancers. Een daarvan begint ‘s ochtends om zeven uur thuis en komt daarna naar de redactie. Ook werken er freelancers in het weekend en ‘s avonds van zes tot elf . “Veel Hyvers praten over tv-programma’s, dus dan moeten we ook wel tijdens die programma’s de voorpagina kunnen updaten”, zegt Taihuttu-Ludwig.
Wie is de mol?
Deze vrijdagochtend is het meest besproken onderwerp de derde aflevering van Wie is de Mol, van de avond ervoor. “Zal ik even een rondje foto’s doen?”, zegt Rosah, waarmee ze bedoelt dat ze bij alle items een nieuwe foto zal plaatsen om de site een frisse aanblik te geven. Met het online fotobewerkingsprogramma Picnik maakt ze een uitsnede van een foto van een van de kandidaten van Wie is de Mol. Ze kiest uit het aanbod van het ANP een plaat van Mol-deelnemer Anne-Marie Jung. “Dan zul je wel zien dat mensen gaan speculeren dat zij de mol is. Maar dat is juist leuk, om zo het gesprek nieuw leven in te blazen”, aldus Rosah.
Via Hyves kunnen kijkers van het populaire tv-programma gokken op wie de mol is, wie er elke aflevering uitvalt, en wie het programma uiteindelijk wint. Dit concept bleek eerder al succesvol voor voetbalwedstrijden: sinds het begin van dit Eredivisieseizoen kunnen Hyves-leden wedstrijduitslagen voorspellen. Voetbal is van oudsher al een populair onderwerp bij Hyvers, althans bij de mannen.
Personalisatie
Het onderdeel Nu & Straks van Hyves probeert ook in te spelen op de vermeende interesses van de leden door te personaliseren. De volgorde van de items op de voorpagina is niet voor iedereen dezelfde. “De personalisatie gebeurt op basis van leeftijdsgroepen van vijf jaar en op sekse. Als binnen de groep van 30 tot 35 en vrouw het woord ‘zomervakantie’ relatief vaker voorkomt dan bij andere groepen, dan zal, als je bent ingelogd, dat topic hoger verschijnen dan bij anderen.” Overigens is er in het geval van deze 30-jarige journalist van het mannelijk geslacht geen verschil tussen de algemene en persoonlijke homepage. Concrete plannen om op meer eigenschappen dan alleen geslacht en leeftijd te personaliseren, zijn er nog niet.
Hoewel de redactie voornamelijk uit twintigers bestaat, is de doelgroep nog altijd zeer divers. Hyves heeft weliswaar het imago van een tienerhonk; er zitten nog altijd leden van jong tot oud en van verschillende opleidingsniveaus. Dat maakt dat de onderwerpen voor iedereen toegankelijk en begrijpelijk moeten zijn.
Mislukte samenwerking met Sp!ts
En de gespreksonderwerpen niet altijd net zo nieuwswaardig zijn als een krantenredactie die zou beoordelen. Een samenwerking tussen Hyves en de gratis krant Sp!ts, beide onderdeel van de Telegraaf Media Groep, liep dan ook na enkele maanden spaak. Begin december zei Hyves-directeur Marc de Vries daarover: “De journalisten op de redactie van Spits waren in de eerste plaats bezig met nieuws vergaren, voor de krant. Op de nieuwe homepage van Hyves moesten zij juist reactief zijn: de trending topics duiden.”
Wat de precieze reden van het einde van de samenwerking was, kan hoofdredacteur Taihuttu-Ludwig niet zeggen. Wel beseft ze dat een aantal van de onderwerpen op Hyves “in de beleving van sommigen journalistiek minderwaardig zijn”. Hyves heeft er bewust voor gekozen om te volgen wat de gebruikers bespreken. “Dat vergt een andere manier van schrijven. Schrijven over The Voice of Holland is nu eenmaal wat anders dan over de Arabische Lente.”
Een verschil tussen de huidige werkwijze en de samenwerking met Spits is dat de Spits-journalisten vanuit de redactie van de krant werkten, terwijl Taihuttu-Ludwig aan het Frederiksplein zetelde. “Voor een product dat in ontwikkeling is, is het een stuk gemakkelijker overleggen als je fysiek in dezelfde ruimte zit. Dat lijkt me een open deur.”
Twitter!
Maar bijzonder veel overleg is er nu ook weer niet te horen op de redactievloer. Sterker, het is er muisstil. Op twee televisieschermen staan de teletekstpagina’s van de NOS en RTL, later wordt op het tweede scherm de tenniswedstrijd tussen Djokovic en Murray vertoond. De meeste redacteuren hebben een grote koptelefoon op. “Om het geluid van filmpjes te beluisteren”, legt Taihuttu-Ludwig uit. De meeste communicatie tussen de redacteuren gebeurt digitaal, via de chatfunctie van Skype.
Computerschermen en post-its
Maar er hangen ook nog een paar analoge post-its, bijvoorbeeld op het grote Mac-scherm van Rosah. “Twitter!” staat er op eentje geschreven. Redacteuren moeten niet vergeten om elke nieuwe discussie te tweeten. De site moet immers ook bezoekers lokken. Maar een zelfde behoefte om de nieuwste berichten ook op de site van de grote Amerikaanse concurrent Facebook te plaatsen, die heeft de redactie niet. Hoewel er ook Facebook-gebruikers bij zitten, hebben alle redactieleden uiteraard een Hyves-account. Zo communiceert Rosah dagelijks via Hyves met haar vader die in Brazilië verblijft. “Werk ze, Rosah!”, schrijft hij.
Rosah gaat ondertussen op zoek naar een nieuwe foto van Willem Holleeder. Tevergeefs, ze zijn er nog niet. “Dat eeuwige bankje”, verzucht ze.
Later die dag roept haar collega Alrik de hulp van Hyvers in: “Niet alleen criminelen azen op hem, maar ook fotografen. Voor de eerst foto. Eén ding is zeker: degene die de eerste foto maakt krijgt niet alleen een bak met geld maar vooral eeuwige roem. De maker; dat kan ook jij zijn.”
Foto’s: Peter Teffer
|
De Nieuwe Reporter | 01-02-2012 16:15
Er is weer een hele discussie aan de gang over de amateur die de professionele fotojournalist van zijn brood berooft. Althans, dat is de mening die bij veel fotojournalisten nu heerst. Het lijkt er ook wel op, nu Metro sinds dit jaar bewust lezers vraagt om foto’s in te sturen en nu ook ANP lezersfoto’s van NUfoto.nl gaat gebruiken. Toch is het te kort door de bocht om Metro en ANP te beschuldigen van broodroof, want dat doen ze namelijk niet echt. Ze spelen wel goed in op een hele andere markt.
Vroeger, die goede oude tijd, was de fotojournalist heer en meester. Alleen de professional en een hele enkele amateur was in staat om te investeren in films en die razendsnel te ontwikkelen en bij de redactie te brengen. Dat was vroeger.
Tegenwoordig werkt het anders.Voordat een professioneel fotograaf bij een calamiteit is, hebben al honderden omstanders een foto gemaakt. Of het nu met een echte fotocamera is, of met een telefoontje. Dat maakt niet uit. Een nieuwsfoto bestaat bij de gratie van nieuws, en nieuws is vaak echt nieuws als het net is gebeurd. Zeker bij een calamiteit. Het is dus niet zo vreemd dat redacties graag een foto hebben van het incident.
Helemaal voor op internet, waar het nieuws al bijna eerder online staat dan dat het gebeurd is. Het is voor een redactie dus fijn als iemand heel snel een beeld stuurt. Niet voor niets zet ANP soms twee fotografen op een klus, zodat de een al beeld kan sturen, terwijl een ander nog blijft fotograferen.
Lezersbinding
Het beeld van de toevallige passant is dus interessant. Niet alleen vanwege de nieuwswaarde overigens. Ook om de lezer te binden aan het medium. Dat is, met het snelle verloop van lezers, erg belangrijk in deze tijd. Dat Metro dus haar eigen lezers vraagt om foto’s te sturen, is om die reden goed voor te stellen. Ook NU.nl maakt daar handig gebruik van. Het grote verschil met NU.nl is dat Metro betaalt voor een foto als die geplaatst wordt. Ook ANP betaalt de fotograaf die via NUfoto.nl een foto levert gewoon uit. NU.nl verdient er niets op, maar ze hebben via NUfoto altijd eerder beeld dan ANP en bovendien binden ze de lezer aan de site.
Dat veel fotojournalisten mopperen dat ANP en Metro nu gratis foto’s willen hebben, is dus onjuist. Toegegeven, beiden betalen niet veel voor een foto. Metro geeft maximaal 40 euro, ANP betaalt 50 euro voor een enkele foto en 100 euro voor een serie. Kleine bedragen, maar als je nu kijkt wat een freelancer voor een opdracht bij ANP krijgt, dan is het eigenlijk niet eens zo slecht. Daarbij, waar de freelancer het ANP exclusiviteit geeft, als het gaat om opdrachtwerk, behoudt de fotograaf via NUfoto al zijn rechten. Metro betaalt een freelancer of het persbureau niet echt heel veel meer voor een foto. Dus met de vergoeding valt het nog enigszins mee.
Bovendien gaat het, zeker in het geval bij de samenwerking tussen ANP en NUfoto.nl, vooral om heel actueel beeld. Het echte nieuwsplaatje. Het moment dat de professionele fotograaf nog niet ter plekke is. Die foto’s zijn vooral voor de websites interessant. Als een gebeurtenis groot genoeg is, dan mag je hopen dat de krant of het persbureau wel een fotojournalist sturen. Voor de betere foto. Veel fotojournalistiek werk is bovendien geagendeerd en/of op een plek waar een amateur niet zomaar kan komen. Daar zal de professionele fotograaf nog ingezet worden.
Vormt het initiatief dan helemaal geen bedreiging?
Jawel, de dreiging is er zeker. Want de kans bestaat dat op een gegeven moment besloten wordt om maar geen fotograaf te sturen naar bepaalde calamiteiten, omdat het beeld van de ‘trusted photographer’ die al ter plekke is goed genoeg gevonden wordt. Ook Metro kan in een vlaag van verstandsverbijstering zo’n besluit nemen en meer werk uitbesteden aan het ‘fototeam’. Want eerlijk is eerlijk, men kan, of wil, steeds minder geld uitgeven aan nieuwsfotografie.
Dat dat de kwaliteit niet ten goede komt, lijkt me evident. Het is een neerwaartse spiraal. Men neemt ook genoegen met minder kwaliteit. Zeker in de snelheid die voor internet nog steeds het belangrijkst lijkt, is men steeds vaker tevreden als er al iets op staat waarop wat te zien is van het incident. Die beeldarmoede zet zich door naar andere media. En omdat de kwaliteit steeds verder daalt, wil men nog minder betalen. Daar gaat je vak denk je dan al snel.
Kniezen of kansen
Nu kun je twee dingen doen: of je gaat lopen kniezen, of je gaat kijken waar wel kansen liggen. Onlangs kreeg ik te horen wat ik via mijn persbureau voor een publicatie in Metro en het Nederlands Dagblad krijg. De tranen schoten in mijn ogen eerlijk gezegd. Want het beroep fotojournalist wordt zo wel bijna synoniem aan vrijwilligerswerk.
Maar met kniezen schiet je niets op, daar krijg je geen geld mee en bovendien levert het alleen maar negatieve energie op. Het is beter om op zoek te gaan naar de kansen. Die zijn er, al moet ik bekennen dat ik ze ook nog niet gevonden heb. Een goede fotojournalist beheerst de kunst om een verhaal te vertellen met fotografie. Daar moet je gebruik van maken door foto’s te maken die anderen niet kunnen maken. Om boven de beeldarmoede uit te stijgen. De fotojournalist die dat niet kan of wil zien, is zijn eigen bedreiging. Die komt niet direct van de amateur die een zakcentje krijgt.
|
De Nieuwe Reporter | 01-02-2012 09:32
Actueel nieuws draait om snelheid, juistheid en volledigheid. Het is dan ook niet zo gek dat media voortdurend naar nieuwe manieren zoeken om zo snel en zo volledig mogelijk over juiste informatie (in tekst en beeld) te beschikken. Volledigheid kost vaak tijd. Omdat nieuws zich ontwikkelt. Omdat bij rampen bijvoorbeeld pas na enige tijd de omvang duidelijk wordt. Op dat vlak kun je als nieuwsmedium maar beperkte invloed uitoefenen. Heel anders is dat met beeld. In de afgelopen jaren heeft het fotograferen met mobiele telefoons een enorme vlucht genomen. Er hoeft maar iets te gebeuren in het land en er zijn foto’s van. Een enorm potentieel dat je als redactie goed aan zou kunnen boren.
Korte historie
NU.nl doet dat in Nederland als eerste. In 2008 start men met een speciaal platform: NUfoto. Een initiatief waarbij gebruikers zelf nieuwswaardige foto’s in kunnen sturen. Eerst via een website, maar later ook via een speciaal ontwikkelde NUfoto-app. Een redactie beoordeelt vervolgens de kwaliteit en herkomst van de foto alvorens deze gebruikt wordt. Ingezonden beeld wordt zelfs in bepaalde gevallen doorverkocht aan het ANP. Met een vergoeding voor de maker.
Eind 2011 kondigt het gratis dagblad Metro een soorgelijke stap aan. Lezers worden uitgenodigd nieuwswaardige foto’s via de Scoopshot-app door te sturen naar de redactie. Maar Metro gaat een stap verder. Via de app worden ook opdrachten voor fotografie verspreid. En ontstaat ineens een waardevol netwerk van amateurfotografen. Die werken niet voor niets: de beste foto’s worden volgens Metro beloond “met keiharde euro’s en plaatsing in de krant”.
NU.nl zet daaropvolgend ook een stap. Men verstevigt de samenwerking met ANP en besluit evenals Metro de aanlevering van beeld te regisseren. Alleen zet NU.nl daarbij meer in op de juistheid van het aangeleverde beeldmateriaal. Op 31 januari kondigt men aan te gaan werken met een groep van ‘trusted photographers’. Een groep van ca. 24 ‘burgerfotografen’ die bij de redactie van NUfoto vertrouwen geniet als een continu betrouwbare bron van beeldmateriaal. De beelden die door deze groep worden aangeleverd, kunnen daarmee door ANP snel gebruikt worden richting haar klanten. Wederom niet voor niets: ANP betaalt 50 euro voor een los beeld, en 100 euro voor een serie.
Voor- en nadelen voor media
De voordelen voor media laten zich raden. Het aanbod aan beeld is op deze manier veel groter en vollediger. En dat voor prijzen die misschien een fooi lijken, maar zich ondanks dat aardig goed schijnen te verhouden tot wat bij sommige media betaald wordt.
In plaats van één of enkele professionals zijn er nu tientallen lezers die een foto van een nieuwswaardige gebeurtenis insturen. Met wat goede wil zit daar best iets bruikbaars bij. Fijn om te kunnen kiezen, maar aan de andere kant moet die selectie ook wel door iemand gebeuren. En bij de selectie komt gelijk weer een nadeel om de hoek: wie bewaakt de journalistieke integriteit van de foto’s?
Zendmast Hoogersmilde
De professional houdt daar rekening mee. De amateur echter niet. Geen onwil, maar goede kans dat hij of zij zich daar niet eens van bewust is. En de beeldredacteur kan misschien niet altijd alles controleren. Dat hoeft geen probleem te zijn, maar het kan voor vervelende situaties zorgen. Zoals die kwaliteitskrant die eerder dit jaar op hun website een foto plaatste van een in brand staande zendmast in Hoogersmilde, omgeven door rookwolken. In werkelijkheid was er nauwelijks rook te zien. Die bleek door de ‘fotograaf’ toegevoegd te zijn. Wat overigens snel werd gecorrigeerd toen er meer beeldmateriaal beschikbaar kwam.
Hoe zit dat met professionele fotografen?
Binnen de beroepsgroep is veel weerstand tegen bovenstaande initiatieven. Deels terecht. Waar eerst een professional werd ingehuurd, wordt nu sneller gekozen voor een lezer. Niet zelden een amateur die de vaak noodzakelijke kennis voor goede journalistieke foto’s ontbeert. Denk aan ethiek, kennis over zeggingskracht in foto’s en de techniek.
Maar ook inhoudelijk zijn er de nodige opmerkingen zoals de verarming in beeldgebruik. Verhalende foto’s worden in een aantal gevallen vervangen door technisch ondermaatse en vaak nietszeggende kiekjes. Een goede journalistieke foto vertelt een heel verhaal. Geeft een extra dimensie aan het geschreven verhaal. Kiekjes doen het omgekeerde. Prikkelen de lezer niet, maar fungeren eerder als behang bij het artikel. Willen we dat wel als lezer? En zijn we ons daar eigenlijk wel van bewust?
Toch ben ik van mening dat een deel van de weerstand die collega’s tegen deze veranderingen hebben, onterecht is. Want wees eerlijk: van NU.nl, Metro en andere partijen is het commercieel gezien een briljante zet. In nieuws is snelheid nog steeds één van de belangrijkste factoren. En wie is er sneller dan de lezers die zich bevinden op de plek waar het nieuws zich op dat moment afspeelt?
Maar je bent toch zelf professioneel fotograaf?
Ik ben professioneel fotograaf. Maar ik weiger deze ontwikkelingen als een verschraling of belemmering van ons nobele vak te zien. Wel denk ik dat journalistieke fotografie in bepaald opzicht een definitieve verandering ondergaat. De lezer gaat participeren in nieuwsgaring, snelheid wordt steeds belangrijker. Ik denk dat die verarming van beeldgebruik bij veel media door zal zetten. Media die nu op de kleintjes moet letten, zal ook willen bezuinigen (of al bezuinigd hebben) op kostbare zaken als beeld.
Maar daar ligt tegelijk het onderscheidend vermogen van zowel fotografen als media die tegen de stroom in durven roeien: iets (blijven) maken dat écht onderscheidt en opvalt. Het is daarom een goed moment om je als (journalistiek) fotograaf af te vragen: wat maakt mij en mijn werk bijzonder? Wat maakt mij nu en in de toekomst uniek? Wat heb ik te vertellen?
De verandering in ons vak is een feit. De noodzaak om onszelf te veranderen is dat ook. Of we dat nu willen of niet.
|
De Nieuwe Reporter | 01-02-2012 09:12
Op Gevaarlijk Spel laten we een aantal experts aan het woord over de aanbevelingen uit het onderzoek, te beginnen met metajournalistiek. Deze week reageert Hans Wansink, oud-politiek commentator van de Volkskrant. Volgens hem is er sprake van een toenemende invloed van de media. Dat noopt tot het inzicht geven in de journalistieke werkwijze en het afleggen van verantwoording.
Sinds een jaar of tien is de kritiek op het functioneren van de journalistiek sterk toegenomen. De uitspraak ‘De leugen regeert’, gedaan door koningin Beatrix tijdens een jubileum van het Genootschap van Hoofdredacteuren in 1999, vond veel navolging. Dat de journalistiek slechter is geworden, valt moeilijk te bewijzen, maar ik geloof het niet. Blader maar eens in kranten van twintig of dertig jaar geleden en je zult zien dat ze vandaag niet alleen veelzijdiger en aantrekkelijker zijn, maar ook minder voorspelbaar en vooringenomen.
|
De Nieuwe Reporter | 31-01-2012 17:11
Persbureau ANP gaat een samenwerking aan met NUfoto om makkelijker te kunnen beschikken over nieuwswaardige foto’s die gemaakt worden door hobbyfotografen. De truc? Een select groepje amateurfotografen krijgt het predicaat ‘trusted photographers’. Zij vormen een soort van keurkorps van ‘burgerfotografen’ die betrouwbaar genoeg zijn voor de ANP-fotofeed. Broodroof dus van de professionele fotojournalisten? “Daar is geen sprake van”, riposteert Johan Groeneveld van ANP.
“NUfoto en ANP lanceren platform voor burgerfotografie”, meldt NU.nl vandaag. Een platform? Betekent dit dat er weer een website met foto’s van burgerjournalisten komt? “Nee hoor”, vertelt Chris Heijmans, chefredacteur van NUfoto. “Dat platform is in feite onzichtbaar. Het ANP ontvangt alle foto’s in een speciale feed, maar dit is geen aparte website die zichtbaar is voor het publiek.”
De samenwerking behelst in feite dat ANP foto’s afneemt van NUfoto. De betreffende foto’s worden meegestuurd in de ANP-fotofeed zodat redacties met een abonnement ze kunnen gebruiken. Eigenlijk werkt ANP alleen met professionele fotografen, maar soms hebben foto’s van amateurs (‘burgerfotografen’) een grote nieuwswaarde omdat zij bij onverwacht nieuws vaak als eerste ter plekke zijn. Johan Groeneveld, adjunct-directeur ANP Producties, geeft als voorbeeld de brand in theater ’t Speelhuis in Helmond: “Wij hadden wat moeite om daar heel snel een fotograaf te krijgen. In zo’n geval is het natuurlijk goed als we voor de snelheid alvast een foto van een burgerfotograaf kunnen gebruiken.”
Dat wil overigens niet zeggen dat ANP zo maar foto’s gaat overnemen van elke willekeurige passant die toevallig als eerste een foto heeft gemaakt van een nieuwsgebeurtenis en die op NUfoto heeft gezet. Het persbureau neemt beeldmateriaal over dat gemaakt is door ‘trusted photographers’. “We namen altijd al foto’s over van Nufoto”, vertelt Groeneveld. “Maar met de nodige terughoudendheid, want we willen zeker weten dat een foto waar is. Als je lukraak foto’s overneemt, ga je geheid nat. Dat willen we niet, want bij ons draait alles om betrouwbaarheid.”
Vertrouwde fotografen
Het nieuwe van deze samenwerking is dus niet dat ANP foto’s overneemt van NUfoto – want dat gebeurt al geruime tijd – maar dat een aantal hobbyfotografen die veel foto’s naar Nufoto uploaden, worden aangewezen als ‘trusted photographers’, oftewel fotografen die men vertrouwt. Voor ANP is het voordeel hiervan de snelheid waarmee men over nieuwswaardige foto’s kan beschikken, omdat het persbureau niet steeds opnieuw de betrouwbaarheid van fotografen hoeft te controleren.
De selectie van ‘trusted photographers’ is gemaakt door de redactie van NUfoto, vertelt Heijmans. “Al sinds 2003 ben ik bezig met amateurfotografie op NU.nl en sinds 2008 hebben we daarvoor een speciaal platform: NUfoto. Doordat ik hier al zo lang mee bezig ben weet ik inmiddels haarfijn welke fotografen te vertrouwen zijn. De meeste uit deze groep – die nu bestaat uit zo’n 24 mensen – ken ik ook persoonlijk. Deze eerste groep aan trusted photographers sturen namelijk al jarenlang, vaak dagelijks, beelden in.”
ANP heeft ter kennismaking ook een bijeenkomst belegd met deze fotografen, vertelt Groeneveld. “Wij kennen ze dus. En zij kennen ons. Ze weten wat wij van ze verwachten en wij weten ook wat ze van ons verwachten.”
Betaling
ANP krijgt de foto’s niet gratis, het persbureau betaalt 50 euro voor een los beeld en 100 euro voor een serie. Dat geld steekt NU niet in de eigen broekzak, maar het gehele bedrag gaat naar de fotograaf. Heijmans: “NUfoto verdient niets met deze samenwerking. Ons doel is slechts om fotografen een groter platform te bieden, en ze gemakkelijker bij te laten verdienen.”
De rechten blijven dan ook eigendom van de NUfoto-fotograaf, zo verzekert Heijmans. “ANP dwingt geen exclusiviteit af. Dit is zeer belangrijk voor NUfoto, aangezien we onze fotografen nooit willen beperken.”
Maar mist het ANP door zich te beperken tot bepaalde fotografen niet juist de foto’s van die ene toevallige getuige die een foto maakt van breaking news? Zoals de foto die Janis Krums maakte van het vliegtuig dat een noodlanding maakte in de Hudson? “Zo’n foto willen we natuurlijk niet missen. En dat gaat ook niet gebeuren. We kunnen nog altijd alle foto’s van NUfoto gebruiken, maar als die niet is gemaakt door een van de geselecteerde fotografen, dan zullen we altijd extra onderzoek doen, dan gaan we terug naar de bron om er zeker van te zijn dat de foto echt is.”
Broodroof
Dat amateurfotografen nu ook nieuwsfoto’s aan de ANP-fotofeed leveren, zal wellicht scheve ogen opleveren bij professionele fotojournalisten (zie deze reactie op Villamedia.nl). Heijmans ziet de bui al hangen: “Uiteraard gaat dit tot wrevel onder beroepsfotografen leiden. Ik weet zeker dat ze dit zien als broodroof, maar het is onontkomelijk dat er momenteel ongelofelijk veel verandert in de fotojournalistiek. De opkomst van de burgerfotografie hoort daar zeker bij. Een professional ziet dat misschien soms met angst en beven tegemoet, maar zelf denk ik dat er altijd veel vraag zal blijven naar professioneel beeld. Dat zie je ook bij NU.nl. Fotografie is bij NU.nl zeer belangrijk. Wij zijn de afgelopen jaren meer en meer gaan investeren in professioneel beeld. Bij NU.nl bestaat het naast elkaar, en persoonlijk vind ik niet dat dat elkaar bijt.”
Groeneveld is stellig over mogelijke verwijten van broodroof: “Daar is geen sprake van. We gaan niet morrelen aan de professionele fotografen. Bij ANP blijft kwaliteit hoog in het vaandel staan. Dit is absoluut geen bezuiniging en het is ook geen goedkope manier om aan foto’s te komen. Deze foto’s van burgerfotografen zijn aanvullend, het is extra materiaal, geen vervanging. We zullen nog net zoveel gebruik blijven maken van professionele fotografen als voorheen. Al onze opdrachten zullen naar professionele freelancers blijven gaan, want voor het ANP telt kwaliteit.”
|
De Nieuwe Reporter | 30-01-2012 17:09
In het project ANP Regio wilde het ANP de mogelijkheden onderzoeken om door een combinatie van journalistiek handwerk en nieuwe technologie de journalistieke controle op de lokale en regionale democratie te versterken. Eind 2011 trok het ANP echter de stekker uit het project – teleurgesteld en wijzer. De inmiddels naar het AD vertrokken projectleider Rennie Rijpma vertelt waarom.
Het oorspronkelijke plan was de oprichting van een nieuwe, nationale nieuwsvoorziening, die het lokale en regionale nieuws dieper zou kunnen aanboren, bewerken en verspreiden. Onder de titel Gemeentewerken.nl zou een bundeling tot stand worden gebracht van nieuwe producten en diensten (met name een lokaal en regionaal correspondentennetwerk) met de expertise en het bereik van de landelijke persbureaus ANP en GPD. Goed plan, vond het Stimuleringsfonds voor de Pers, en honoreerde het in het kader van de Persinnovatieregeling met een subsidie van 800.000 euro.
Rennie Rijpma: “Het was ook wel een behoorlijk ambitieus project, ja. Maar de plannen stamden van eind 2009, begin 2010. De hele economie kwam toen net uit de eerste dip en iedereen keek toch weer optimistisch vooruit. Er diende zich een nieuwe verhouding tussen ANP en GPD aan en de GPD zou ook naar het ANP verhuizen. Mede van daaruit geredeneerd was het een mooi streven om samen iets op te tuigen.”
Weerstand bij regionale kranten
Daar kwam het echter niet van. Vrijwel direct nadat het plan door het bestuur van het Stimuleringsfonds positief was ontvangen, begonnen de regionale media zich te roeren.
Rennie Rijpma, voorheen projectleider van ANP Regio
Rijpma: “Door weerstand van enkele bij de GPD aangesloten regionale kranten (met name die vanWegener - red.), die het plan niet zagen zitten, trok de GPD zich uit het project terug. Die weerstand heeft ons wel verrast, ja. Vanuit GPD en ANP waren de plannen in feite als handreiking bedoeld voor alle regionale media. Door dingen gezamenlijk te doen, zoals nu eenmaal het principe van persbureaus werkt, zouden de regionale media zelf zich meer onderscheidend kunnen opstellen en hun kracht en energie kunnen steken in de prioriteiten die zij stellen. Er is veel werk dat standaard overal gedaan moet worden en als je dat met een grote speler kunt doen, bespaart dat in de regio wellicht tijd en menskracht die weer ergens anders voor ingezet kan worden. Wij wilden samen met de regionale media bekijken waar hun behoeften lagen en hoe wij daarin zouden kunnen voorzien. Tot die stap zijn we eigenlijk niet gekomen, omdat zij vooraf al zeiden: dit is ons terrein en daar moeten jullie je niet op begeven.”
Op dat moment, halverwege 2010, viel zowel de financiële als de daadwerkelijke participatie van de GPD weg. Is toen niet overwogen het gehele project te cancellen?
Rijpma: “De afgelopen maanden ben ik bezig geweest met de eindrapportage over het project en in dat verband heb ik me ook wel afgevraagd of we daar destijds niet langer bij stil hadden moeten staan. Met terugwerkende kracht is het nu makkelijk om te concluderen dat we ons toen beter hadden moeten realiseren wat de gevolgen konden zijn. Maar op dat moment was bij ons het enthousiasme over het project nog heel groot; we waren – misschien een beetje sterk uitgedrukt – toch in een euforische stemming met het idee dat we iets moois gingen opbouwen. Het is natuurlijk ook heel leuk als je aan iets nieuws kunt werken. De journalistiek wordt voortdurend geplaagd door allerlei tegenvallende cijfers; als er dan eens een heel mooi nieuw initiatief is, geeft dat veel energie. Dat de GPD eruit stapte, was een forse tegenvaller, maar we wilden ons daardoor niet direct uit het veld laten slaan.”
Proefprojecten
Het ANP stelde de plannen bij en doopte het project om in ANP Regio, bestaande uit twee componenten: het tot stand brengen van een fijnmazig netwerk van verslaggevers en burgercorrespondenten, en een IT-oplossing voor het filteren van digitaal beschikbare informatie. Wijzer geworden van de eerdere ervaringen werd besloten tot kleinschalige proefprojecten, met name in Friesland en Drenthe.
Rijpma: “Als persbureau heb je geen eigen publicatieplatform, dus voor alles wat je bedenkt en produceert, heb je een mediapartner nodig om over een kanaal naar de consument te kunnen beschikken. De Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden wilden wel een en ander met ons uittesten. Ook zij waren best wel sceptisch over onze plannen: ze moesten het allemaal nog maar zien, want wat heeft zo’n landelijke speler nu in de regio toe te voegen? Maar ze waren wel bereid om met ons naar de mogelijkheden te kijken.”
November 2010 werd er in Friesland en een paar maanden later in Drenthe begonnen met de proef van ANP-correspondenten die regionaal en lokaal dieper geworteld waren en met interessante berichten voor de lokale en regionale media zouden moeten komen.
Rijpma: “Al snel bleek dat het aansturen van zo’n project vanuit Rijswijk, waar ik zat als projectleider, heel moeilijk is. Hoewel Friesland me allerminst onbekend is, merkte ik dat ik toch behoorlijk op afstand zat. Je kunt dan geen sturing geven en veel informatie bereikt Rijswijk niet. Correspondenten kunnen dat deels nog wel zelf opvangen, maar wat we bij de Leeuwarder Courant merkten is dat zij het heel vaak te klein nieuws vonden, of nieuws dat al op een andere manier tot hen kwam. Bij het Dagblad van het Noorden lag dat anders. De berichten van onze correspondent hadden voor hen wel toegevoegde waarde, maar in het gebied waar hij zat was er eigenlijk gewoon te weinig nieuws en dan is het moeilijk een continue productie op gang te brengen.”
Videoproject
Behalve met tekstcorrespondenten werd met name in Friesland ook geëxperimenteerd met een videoproject, waarbij nieuwsitems werden aangeleverd voor de internetsite van de Leeuwarder Courant.
Rijpma: “De LC heeft zelf een camjo-man in dienst, maar die kan natuurlijk niet alles zelf doen. Dus dan voeg je al snel iets toe als je wat maakt. Die video-items voldeden daarom beter aan de vraag van de krant. Maar als je verder keek, waren ook hier weer de bezwaren van kracht zoals die golden voor de tekstcorrespondenten: te klein nieuws, dat wil zeggen, leuk om te weten maar niet fantastisch genoeg om er makkelijk mee de boer op te gaan. Nog nadrukkelijker dan bij de tekstcorrespondent ook te hoge kosten. Plus een te kleine afzetmarkt.”
Gelijkluidende conclusies moesten getrokken worden uit een proefproject waarin fotografie en video-items geleverd werden aan het Utrechtse stadsplatform Duic.nl: voor het platform, een net startende onderneming, was het materiaal uiterst welkom, maar ook hier was het heel lastig om tot een rendabel model te komen.
Dus wat jullie ook deden, je kreeg steeds te horen dat de toegevoegde waarde te beperkt was en het product te duur?
Rijpma: “De regionale en lokale media onderscheiden zich door hun berichtgeving over die regio; dat is hun kracht en core business. Wat je daarin als buitenstaander, zoals een persbureau, ook wilt doen, je raakt dan al vrij direct het hart van hun bestaansrecht. In de loop van het project ben ik me veel meer gaan realiseren wat dat voor hen betekent; onze idealistische bril is afgegaan. Ik bedoel: als Reuterstegen het ANP zou zeggen dat zij voor ons het nieuws in Nederland gaan doen en wij dat niet meer zelf hoeven te doen, dan zeggen wij ook: ja dáág, daar zijn wij veel beter in.”
“Nu klinkt het natuurlijk vrij dom dat je dat niet van tevoren bedenkt. Maar wij dachten echt daar nog een rol in te kunnen spelen met datgene wat een persbureau ook doet: het snelle nieuws, de korte berichten in welke vorm dan ook – foto, video, tekst – zodat die regionale en lokale media meer gelegenheid krijgen om de diepte in te gaan. Gaandeweg werden we dus steeds meer teleurgesteld,… ontnuchterd.”
Zakelijke markt
Een van de peilers onder het verdienmodel van ANP Regio vormde de zakelijke markt. Zodra er een regelmatige productie in een regio op gang was gebracht, zouden bedrijven en gemeenten in die regio benaderd kunnen worden voor bijvoorbeeld een knipseldienst, zoals het ANP dat ook landelijk doet.
Rijpma: “Als de content goed genoeg is om aan zakelijke partijen aan te bieden en we de kosten relatief laag kunnen houden, heb je niet veel klanten nodig om uit de kosten te komen. Vanaf het begin heeft het ANP in dit project gezeten met als uitgangspunt dat we er niet rijk van hoeven te worden. Het had ook een idealistische inslag. Wij vonden dat er voor het persbureau een taak lag om in de lokale en regionale nieuwsvoorziening te voorzien. Daarbij wilden we geen grote verliezen maken, maar dat het geen enorme brok aan inkomsten zou zijn, was van het begin af aan duidelijk. Het ging dus eigenlijk vooral om het zoeken naar een model waarin de investeringen en de kostprijs ongeveer gedekt werden. Mocht je dat uit kunnen rollen naar een landelijk model, dan zijn er wellicht enkele regio’s waarin wat winst gemaakt wordt, waarmee je de kosten zou kunnen dekken voor de regio’s waar geen winst is. Zover is het niet gekomen. De berichten waren er niet goed genoeg voor, dat wil zeggen het ontsteeg het niveau van te klein nieuws niet: leuk om te weten, maar zonder noodzaak.”
IT-oplossing
Later is onderzocht of een nieuw te ontwikkelen IT-oplossing hier soelaas zou kunnen bieden. Er werd een serieus begin gemaakt met de ontwikkeling ervan en er werden gesprekken gevoerd met diverse landelijke spelers als het Openbaar Ministerie, de Ombudsman, VNG, CBS, etc.
Rijpma: “Wij boden hen aan hun informatie regionaal te gaan uitventen. De meeste partijen reageerden heel enthousiast. Zij voelden allemaal een behoefte op dat gebied. Het zijn organisaties met een zee aan informatie, maar om dat gekanaliseerd naar buiten te brengen is een probleem waar zij dagelijks tegenaan lopen. Op het moment dat we bespraken hoe we een en ander vorm zouden moeten geven, werd de bal echter direct teruggespeeld. Dat hield in dat wij zelf alles zouden moeten gaan ontwikkelen en er bij die partijen niet de bereidheid bestond er financieel in te stappen, maar ook niet om er technisch in te participeren. En dan heb je een probleem. Want op zich zouden wij wel alles kunnen inrichten, maar als een organisatie niet echt in het project participeert, kan het morgen besluiten om een andere website of een ander systeem neer te zetten en loopt alles in het honderd. Je hebt wederzijdse betrokkenheid nodig om zo’n project succesvol tot stand te brengen. En iedereen was wel van goede wil en enthousiast, maar die bal werd meteen teruggespeeld.”
In een proefgebied in Friesland is vervolgens nog gekeken wat het ANP zelf, zonder de participatie van die grote organisaties, aan informatie binnen zou kunnen halen, maar het resultaat stemde niet vrolijk.
Rijpma: “Al snel bleek dat als je daar echt werk van zou maken, je een gigantische brij aan informatie binnen zou halen. Om uit die brij de nieuwswaardige data te halen, kost weer veel tijd en energie. Als je er kritisch naar keek, haalde je eigenlijk een enorme hoeveelheid bagger binnen en slechts een heel klein deel relevante informatie. Het idee was om door middel van de IT-oplossing menskracht te besparen, maar dat ging zo helemaal niet werken.”
Nieuws en alarmering
De volgende stap in dit ‘learning by doing’-proces was het aanbrengen van meer focus in het eigen ANP-aanbod, met behulp van IT. Het persbureau heeft een nieuwsagenda die alom gebruikt en gewaardeerd wordt. Daarnaast heeft het een alarmeringsfunctie: het als eerste brengen van groot nieuws. Toegespitst op die twee functies zou het ANP, ondersteund door IT, wellicht een nuttig aanbod aan de lokale en regionale media kunnen realiseren.
Rijpma: “Daarvoor hebben we een pilot opgezet in de provincie Utrecht, met andere partijen dan in het eerdere project. We hebben daar naar alle websites van de gemeenten en daarmee verbonden organisaties en instanties gekeken, om vooral agendamatig te zien wat er gebeurt en wat er speelt. Samen met IT-ontwikkelaars hebben we een opzet gemaakt en dat zag er allemaal best goed uit. Alleen was het heel erg duur in verhouding tot wat ons voor ogen stond – en dan ging het nog slechts om Utrecht, terwijl wij het natuurlijk graag wilden uitrollen over het hele land.”
Met die constatering op zak werd besloten een pas op de plaats te maken: geen verdere proeven meer, maar een marktonderzoek.
Rijpma: “Wij vonden het een mooi idee, maar vond de rest van Nederland dat ook? Het onderzoek naar wat wij noemden ‘de agenda van Nederland’ richtte zich op de vraag of we de agenda die we nu op landelijk niveau maken, ook op regionaal en lokaal niveau zouden kunnen voeden en of daar behoefte aan was. Wij waren daar heel hoopvol over, ook omdat we meenden daarmee een service te verlenen die minder bedreigend zou zijn voor de regionale media. Je produceert immers niet echt het nieuws, maar je reikt het alleen maar aan. Het marktonderzoek wees echter uit, dat ook dat door de regionale media heel erg als hun terrein werd gezien. En ze stelden, en dat was ook wel terecht, dat het ANP als landelijke speler dit nooit goedkoper zou kunnen doen dan zijzelf.”
Heb je dat onderzoek landelijk laten doen?
Rijpma: “In meerdere regio’s. We hebben een dwarsdoorsnede van Nederland gemaakt en verschillende media benaderd. Maar ook de zakelijke klanten, omdat we de regionale agenda ook aan bedrijven beschikbaar wilden stellen. Er bleek zegge en schrijven één bedrijf te zijn dat daar belangstelling voor had. Het was ongeveer eind september toen dat bekend werd. We hebben toen de koppen bij elkaar gestoken, en hoewel het voor het ANP heel makkelijk was geweest om nog van alles te onderzoeken of proefprojecten op te zetten, hebben we toen op grond van alle bevindingen besloten het project stop te zetten.”
Laatste vraag. In het rapport van de commissie Brinkman – de aanleiding voor de Persinnovatieregeling – stond dat er gaten ontstaan in de journalistieke controle van de lokale en regionale democratie. Na afsluiting van het Regio-project meldde het ANP in een persbericht dat dit wel meeviel. Op basis waarvan werd die bewering gedaan?
Rijpma: “Voor we met de eerst proefprojecten van start gingen, hebben we gekeken naar wat er aan lokale en regionale media verschijnt. Dat hebben we niet voor heel Nederland gedaan, maar voor een aantal provincies, acht in totaal. Daarbij hebben we gekeken naar wat daar verschijnt en dat hebben we op een kaart proberen te leggen, met als vraag: zie je dan gaten? Om dat nu een onderzoek te noemen… dat zijn wat grote woorden. Het was gewoon een inventarisatie van wat er verschijnt en daarbij is niet gekeken naar de kwaliteit. Als je zo de kaart van Nederland bekijkt, zie je geen gaten. Ik vond dat een eye-opener; er is een enorme lappendeken aan media – van regionale omroep en regionale krant, tot allerlei lokale initiatieven of groot-lokale websites. Voor zo’n bewering als in het rapport Brinkman gedaan werd, zou je dieper onderzoek moeten doen en dat hebben wij natuurlijk niet gedaan.”
Lokale democratie
“Omdat de gemeente Renswoud een journalist in dienst heeft genomen om de lokale berichtgeving te verzorgen, kun je ook niet concluderen dat de journalistieke controle van de lokale democratie faalt. Het project dat wij in zuid-oost Drenthe deden, waar we met twee correspondenten werkten, wees bijvoorbeeld uit dat in sommige gemeenten dusdanig weinig nieuwswaardigs gebeurt, dat het voor de media in die regio niet interessant genoeg is om daar naartoe te gaan – en dat is het dan voor ons ook al heel snel niet.”
“De media zijn in die zin denk ik ook steeds meer bedrijven geworden. Vroeger had je de luxe om een verslaggever een hele avond bij een raadsvergadering te hebben, tegenwoordig wordt er een kosten-baten-analyse gemaakt. Vroeger werd er ook veel meer verslag gedaan na een vergadering, nu wordt alles wat op zo’n vergadering gaat gebeuren naar voren gehaald. Vooraf ga je de partijen langs, de standpunten van de partijen zijn bekend – dus als er vanavond vergaderd wordt, staat het vandaag in de krant en niet morgen. De pure verslaggeving verdwijnt een beetje uit de journalistiek. Maar dat is niet hetzelfde als het falen van de journalistieke controle van de lokale democratie.”
Dit artikel is eerder gepubliceerd op Persinnovatie.nl.
Op dinsdag 31 januari vertelt Rennie Rijpma over haar ervaringen met ANP Regio tijdens een themasessie over hyperlokale media, georganiseerd door het Stimuleringsfonds voor de Pers. Andere sprekers zijn Martin Reijmerink (Digitale Stad Nieuwegein) en Bart Bijnens (Concentra Media). De bijeenkomst vindt plaats van 16-19 uur in Stadskasteel Oudaen, Oudegracht 99 te Utrecht. Aanmelden kan op Persinnovatie.nl.
|
|
|